Olivier Heimel

Adjunct-hoofdredacteur Esquire & freelance journalist

Vragen? Verzoeken? Reacties? Stuur een mailtje.

 

 

 

 

 

Columns

Niet dik

Liefdeslessen

Wat vrezen mannen aan een vrouw?

 

Nieuw!

Nederland is vol. Met tatoeages.

Maar genoeg over mij

 

 

Foto’s

 

Hyves

 

Links

1.                                          Rik Kuiper

2.                                          Remi Bouwmeester

3.                                          Alexander Heimel

4.                                          Lieke Heimel

5.                                          JanHein Heimel

6.                                          GAC Hilversum

7.                                          Esquire

 

 

 

 

 

Niet dik

 

Ik ben niet dik. Misschien word ik het later en denk ik dan ‘hoe heb ik dat ooit kunnen typen?’, maar voorlopig stuurt de slachter me terug om aan te sterken en probeert menig kassajuf m’n familiefoto te scannen omdat-ie zoveel lijkt op de streepjescode lijkt.

 

Voordat je denkt: dit wordt dus weer zo’n klaagstuk. Dat wordt het dus mooi niet. Niet dik zijn is geweldig. Zolang het niet héél hard waait zit je veilig en in een volle trein is altijd plek. Het enige puntje van kritiek is Het Gezeik. Een vriendelijke meneer bij de benzinepomp vroeg laatst heel ernstig of ik aan de drugs was, en in het zwembad vroeg een mevrouw ooit ‘of ik dat nou mooi vond, dat dunne’, waarop ik, haar statuur in aanmerking genomen, van álles had kunnen antwoorden (‘Lieve help! Heeft u ál het water ingeslikt? Maar waar moeten wij nou straks in zwemmen?’), maar ja, dat deed ik niet, want wat ik ook zeg, het helpt natuurlijk niks. Iedere keer dat iemand me een gezellige por in m’n zij geeft (‘Hé, moet jij niet eens wat meer eten, jongen?’) verzin ik een nieuwe smoes, maar stoppen met porren, ho maar, en echt, als je geen vet hebt doet dat porren pijn.

‘Op dieet? Nee hoor. Ik krijg de keukendeur gewoon niet open’.

‘Ik heb pas in de brugklas leren kauwen’.

‘Ik ben als kind in een reusachtige ketel dieetrepen gevallen’.

‘Mijn wieg stond op een trilplaat’.

‘Mijn broer had m’n broodtrommel nodig voor z’n band’.

‘In m’n paspoort staat per ongeluk een röntgenfoto, dus als ik op vakantie wil, moet ik wél zorgen dat ik daar op lijk’.

‘Nee, nou ja… Ik weet er niet zoveel vanaf, maar je buik is dus net een batterij. Je moet ‘m niet opladen voordat-ie he-le-maal leeg is’.

‘Het moet, voor het sport. Atletiek heeft ook gewichtsklassen, weet je… Met iets meer vet eraan heet je veteraan.’

‘Nee hoor, het is gewoon dat woord: maaltijd. Maaltijd! Tijd om te malen… Kijk, dan hóeft het van mij dus al niet meer.’

 

Afijn. Laatst, toen ik na een raadselachtige reeks gebeurtenissen alsnog bij een voedingsdeskundige terecht kwam, moest er dus iets bij. Dat was geen wonder, want vóór je eerste afspraak met de voedingsdeskundige moet je eerst drie dagen precies bijhouden wat je eet.

Stel je voor: je praat te veel. Je moet naar een vriendelijke mevrouw die álles weet van praten, maar voordat je daar aankomt, moet je eerst drie dagen précies bijhouden wat je zegt. Woord voor woord, vanaf het moment dat je wakker wordt tot ‘Welterusten, lieve schat…’.

Dan hou je toch drie dagen je mond!

Het is dóódvermoeiend om precies bij te houden van je zegt, of wat je eet. Op de dag dat ik klaar was, begon ik weer te eten en inderdaad, bij de volgende afspraak zat er 2,5 kilo aan. Nou ja, zo ging het niet echt natuurlijk. De voedingsdeskundige had hele praktische tips voor me en ik denk elke dag aan ‘r als ik weer een bordje Brinta eet. Maar ergens is het een nederlaag… Want niet dik zijn is toch leuk?

 

 

 

Liefdeslessen

(uit: Glamour, september 2006)

 

Olivier Heimel heeft helemaal geen kinderen, maar als er ooit een kleine Olivier komt, zit de wijze raad al in enveloppe.

 

Lieve zoon,

 

Er zijn twee dingen die een vrouw je nooit zal vergeven: dat je op haar valt en dat je niet meer op haar valt. Het eerste vervult haar met afgrijzen en verbazing (‘Wat? Op mij? Nu al? En ik dacht dat hij zo leuk was…’), het tweede valt om begrijpelijker redenen absoluut niet in de smaak.

 

De ware zal je even voor haar laten zweten, maar als je wel heel erg hard moet zweten, dan is zij het dus niet. Als je blijft geloven dat zij het wél is, gebruik dan het laagste trucje uit het grote mannenboek: stel haar rokend voor in badpak, op haar 65ste.

Genezen? Dacht ik al.

Nog steeds niet genezen? Misschien is zij het toch.

 

De liefde van een vrouw zit ‘m in kleine dingen. Soms is ze je dankbaar zoals ze een wekker dankbaar is: dat ze hem openlijk vervloekt betekent absoluut niet dat ze van ‘m af wil. Ze zet hem ’s nachts toch zelf weer aan?

 

Geef, eenmaal samen, onmiddellijk toe dat zij de meeste dingen beter ziet of doet dan jij. Zij is bij jou, dat is het mooie. Pas als ze tegen jou is, heb je een probleem.

 

Wees lief, maar niet té lief. Daar houden vrouwen niet van, en terecht. In Amerika vloog ooit een prachtig vogeltje rond dat de Carolina-parkiet werd genoemd. Het beestje was, naast kleurrijk, vooral ontzettend lief. Iets té lief, volgens de geleerden: elke keer dat iemand een Carolina-parkiet neerschoot, vloog de hele zwerm op, om vervolgens onmiddellijk weer terug te keren en gezamenlijk te rouwen om het slachtoffer. Jagers maakten er dankbaar gebruik van: in 1918 stierf het hartveroverende vogeltje uit.

 

Doe je, behalve onder vrienden, altijd iets beter voor dan je bent. Vrouwen verwachten niet anders van mannen. Zelfs als je de waarheid spreekt, trekken ze daar 10 procent van af.

 

Kies op gerust op uiterlijk - dat doen wij mannen allemaal - maar stap, eenmaal gesetteld, nooit over op een nóg mooiere vrouw. Uiterlijk is een momentopname, en als fan wissel je ook niet van voetbalclub als de stand op de ranglijst daar om vraagt.

 

Weet dat vrouwen over mannen denken, zoals mannen over hun tv: naast die ene in de woonkamer, zouden ze er graag nog één hebben voor in bed. Eigenlijk schijnt een vrouw een beestachtige man te zoeken om het kind te maken, en een lieve om er voor te zorgen. Ga daar nooit mee akkoord. ‘Now youve got the best of me, come on and take the rest of me’ is de mooiste liedtekst ooit geschreven. En het rijmt nog ook.

 

Liefs,

Je vader

 

PS

Geef een knuffel aan je moeder. Hoe heet ze, en hoe heb ik haar ontmoet?

 

 

 

Wat vrezen mannen aan een vrouw?

(uit: Glamour, april 2006)

 

Hun lange adem

De gemiddelde Nederlandse vrouw wordt vijf jaar ouder dan de Nederlandse man. Vijf jaar waarin je onze laptop leeg kunt trekken, al onze papieren door kunt pluizen en onze favoriete voetbalposter kunt weggooien omdat ene ‘Dennis Bergkamp’ er zijn naam op heeft geklad. Ja, daar worden wij bang van. En als we ooit klagen dat je treuzelt, bedenk dan ook dat wij écht meer haast hebben dan jij.

 

Hun olifantengeheugen

Mannen onthouden graag nutteloze weetjes: dat alle continenten in het Engels met de beginletter eindigen, dat het onmogelijk is je elleboog te likken en dat je niet kunt niezen met je ogen open. Vrouwen onthouden álles, op de nutteloze weetjes na. Alles wat een vrouw weet, kan ze tegen je gebruiken, en is haar dus tot nut. “O, díe Chantal, van wie je vier jaar geleden op dat kerstbal in Tuschinski zei dat ze met dat opgestoken haar wel een beetje op me leek. Ga je dáár mee lunchen?”

 

Hun onvoorspelbaarheid

Een man is een man. Ik ben nu zindelijk en ik kleed me wat beter, maar verder is er geen enkel verschil met de peuter die op vakantiefoto’s stond te stralen met een schepje in z’n hand. Vrouwen daarentegen, hebben fases (nee, niet díe fases). Ze veranderen van look, van kapsel, en erger: van persoonlijkheid. Van de ene op de andere dag gaan ze als blondine door het leven, besluiten ze geen vlees meer te eten en maken ze het uit met hun hartsvriendin na een ontspoorde ruzie over een geleende trui. Het is altijd even schrikken: alsof je – vergeef me de vergelijking – in een Peugeot rondrijdt die opeens besluit dat ‘ie tóch liever een Volvo wil zijn.

 

Hun tomeloze energie

Wie acht uur winkelt in een gezonde looppas – zeg zo’n 5 kilometer per uur – legt 40 kilometer op een dag af. Een marathon is 42 kilometer. Vind je het gek dat wij je niet iedere zaterdag bij kunnen houden en in iedere schoenenwinkel halfdood neerploffen de bank? Genade! Toen wij nog computerspelletjes lagen te spelen, trainde jij al iedere vrije middag met vriendinnen op de uitputtingslag die ‘Uitverkoop’ heet.

 

Hun blik

Het is volkomen logisch dat mannen speren, zwaarden, pistolen en atoombommen hebben uitgevonden. Vrouwen konden al die tijd vertrouwen op hun dodelijke blik. Vernietigend, verzengend en altijd welgemikt. Tijd voor een ontwapeningsprogramma: wij houden op met oorlog voeren, en jullie zetten alle dodelijke blikken bij het andere grof vuil.

 

Hun noodzaak

Wetenschappers zijn er al lang over uit: mannen zijn nergens voor nodig. Eén vingerhoedje zaad kan de hele wereldbevolking bevruchten en vorig jaar zijn Japanse onderzoekers er zelfs in geslaagd om een meisjesmuis op de wereld te zetten zonder dat daar één mannelijke muis aan te pas kwam. Sindsdien weten we het zeker: een man is als een fax. Niemand had ‘m uitgevonden als-ie niet toevallig al bestond. Is dat erg? Nee, de meeste vrouwen vinden die Japanse methode veel te kil en omslachtig, maar een beetje beangstigend is het wel. Jullie doen er toe, wij niet.

 

 

 

Nederland is vol. Met tatoeages.

(uit: Esquire, december 2007)

 

 

Nooit gedacht dat ik deze woorden nog eens op zou tikken, maar: Nederland is vol. De nek van mijn buurman, de benen van mijn buurvrouw: er kan geen potje boter-kaas-en-eieren meer bij. Ik lig op het strand en wist niet dat het zo erg was. Als mijn overbuurvrouw met haar buik rolt, is het net de autocue: tussen de vetplooien verschijnt steeds een nieuwe tekst.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Oermannen hadden tatoeages – Ötzi, die vijf eeuwenlang vast zat in het ijs, had er zelfs 57 – om de geesten te verdrijven. Zeemannen hadden tatoeages, om geïdentificeerd te kunnen worden na een scheepsramp. Junkies hadden tatoeages, want ach, een naald is een naald.

Nu heeft Wesley Sneijder tatoeages. Het aantal tatoeage-studio’s is sinds het begin van de jaren negentig vertwintigvoudigd. Alles wat je vroeger in een boom of een bankje kerfte, laat je nu op je schouder, borst of enkel zetten.

Het geeft je streetcred. In gewone mensentaal: dat je, per ongeluk in hechtenis genomen, onbevreesd kunt bukken voor de zeep.

Het zal wel, maar waar gaat dat heen?

Nog twee jaar en de eerste eindexamenkandidaten laten hun spiekbriefjes tatoeëren. ‘Ja, meneer, ik kan die arm er toch niet afhakken? En waarom zou ik het uit mijn hoofd moeten leren als ik het de rest van mijn leven toch al bij me draag?’

Nog tíen jaar en vrouwen zoeken massaal naar de ene mannelijke onderbuik waar nog geen ‘Pas op, zwenkt uit’ op staat.

‘Zal ik een hartje op mijn arm laten zetten, met de tekst “Hier had uw naam kunnen staan”?’ opperde ik ooit als vrijgezellengrapje. Inmiddels lees ik op www.investyourself.com over een Amerikaan die zijn voorhoofd op E-Bay aanbood ter tijdelijke tatoeage. Een merk in anti-snurkmiddelen betaalde hem uiteindelijk tweeëntwintigduizend dollar. Een maand liep hij daarvoor met het logo op zijn voorhoofd rond.

Nou ben ik een conservatieve jongen – als ik in de oertijd had geleefd, zou ik waarschijnlijk gejammerd hebben of dat ‘dat allemaal nou zo nodig is, dat geklieder op die rotswanden’ – maar dát heel Nederland zich vol laat krassen is nog lang niet zo erg als wát er dan zowel op de Nederlandse borsten, billen en buiken wordt gekrast. Of het nou Chinees, Oosters, of gewoon tribal is, iedereen vaart blind op de naaldenprikker van dienst. ‘Wij hebben ons kind Moonray genoemd,’ citeerde Elsevier ooit van een ouderforum. ‘Dat is Indiaas voor straal van de maan.’ Met tatoeages is het niet anders. ‘Dit staat voor vruchtbaarheid,’ zegt een vrouw dan, met het logo van de TV-dokter in haar nek.

Vroeger, toen je je eerste plakplaatjesvel kreeg, was het de kunst om niet je hele kinderkamer, koelkast en huisdier te beplakken met stickers. Oom Esquire zegt: onthoud die les. Bespaar je de hel van het verwijderen – want ook die handel heeft een grote vlucht genomen – en weet dat méér soms minder is, en geen tatoeage dus eigenlijk de nieuwe tatoeage is. Een strippenkaart wordt ook met elke stempel minder waard.

 

 

Maar genoeg over mij

(uit: Esquire, maart 2008)

 

 

‘Jij hoort jezelf graag praten, hè?’, zei een date laatst tegen me op het terras.

Ja, dacht ik toen ik van de eerste verontwaardiging bekomen was, dat is eigenlijk wel zo. Goede verhalen, prettige intonatie… Als ik heel eerlijk was, hoorde ik mezelf liever praten dan ik háár hoorde praten, maar dat kwam ook omdat ze dingen zei als ‘Jij hoort jezelf graag praten, hè?’

Het deed me denken aan mijn oude werkgever, die bij mijn afscheid de zaal nog eens verteld had dat ik - net als hij, overigens - als interviewer altijd met een achterstand begon, omdat ‘geen natuurlijke interesse had in mensen’. Niet in andere mensen, in ieder geval. Dat leverde toen wat nerveus gelach op, maar ook dat was helemaal waar, en we hadden ook al vaak onderling besproken wat voor gruwelijke horken we waren, eigenlijk. Als er al zoiets bestond als ‘mensenmensen’, waren wij onmensenmensen, en we hoopten het nog lang te zijn.

 

Desalniettemin kwam ik wat bedremmeld thuis die avond, na die date op het terras. Het kon toch niet zo zijn dat ik helemáál geen interesse had in mensen? Dat ik de komende zestig jaar tot de eindeloze herhaling van mijn eigen verhalen veroordeeld was? Strijdvaardig besloot ik er meteen maar een verhaal van te maken. De titel had ik al: ‘Maar genoeg over mij’. Allereerst zou ik eens een dag luisteren, alleen maar luisteren.

Goed.

Dat viel dus niet mee.

Ik ontfutselde een oud-collega dat hij tegenwoordig part-time bondscoach is van Argentijnse schaatsploeg, maar hij stond in Thialf, naast een Argentijnse schaatser, dus ik denk dat hij mij dat zonder al te veel doorvragen ook wel had verteld.

Mijn belangrijkste ontdekking die dag ging dan ook over het luisteren zelf. Dat leek wel een vak plotseling, en een vak dat ik – zoals zo veel praktische vakken – maar matig in de vingers had. Om te beginnen hoor ik niet al te best. Vooral niet op feestjes, waar ik doorgaans maar ja-knik tot mijn gesprekspartner me aankijkt alsof ik zojuist heb bevestigd dat Joseph Goebbels een eigen YouTube-kanaal verdient.

Ten tweede schort het soms een beetje aan de verwerking van alles dat ik hoor. Vertel mij dat mijn pizza bezorgd is, en ik gil oprecht verbijsterd ‘Bezorgd?! Waar kan een pizza in hemelsnaam bezorgd over zijn?!

Tot slot praat ik soms wat binnensmonds, waardoor het doorvragen ook niet altijd volgens plan verloopt. ‘Wanneer is ze eigenlijk geboren?’, vroeg ik vorige week met het dochtertje van mijn zus op schoot. ‘Waaróm is ze eigenlijk geboren?’, herhaalden twee al net zo verbijsterde  familieleden. ‘Wat is dat nou voor een vraag?’ (twee vroege lezers van dit verhaal merkten op dat ‘Wanneer is ze eigenlijk geboren?’ óók een merkwaardige vraag is, over je eigen nichtje, maar vrees niet: ik weet wel dat ze iets tussen een half en een heel jaar oud is, maar voor de zekerheid wilde ik even weten of ze nog jarig is binnenkort).

 

Ik moest dus leren luisteren, vond ik. Nou zijn er gelukkig genoeg plaatsen waar je kunt leren luisteren, maar als je geen hond bent vallen er heel wat van die plaatsen af. Wonderlijk eigenlijk, hoe ‘luisteren’ en ‘gehoorzamen’ door elkaar zijn gaan lopen in de Nederlandse taal. Omdat ik het luisteren toch wilde leren, besloot ik op zoek te gaan naar de beste luisteraar van Nederland. Daar moest ik iets van kunnen leren, toch?

 

Ik sloeg een weeklang alle kranten open, zette de radio én de tv aan, belde wat collega’s en zie daar, de verkiezing had een winnaar: Esquire riep Joris Linssen (Nijmegen, 1966) uit tot de Beste Luisteraar van Nederland. Voor wie Linssen niet kent – of nu aan Joris Lutz denkt: Joris Linssen was ooit de taxichauffeur in Taxi (NCRV) en trekt nu in Hello, goodbye (ook NCRV) al vier seizoenen door de aankomsthallen van Schiphol, op zoek naar gewone mensen met een ongewoon verhaal.

 

Of ik een dagje mee mocht lopen, mailde ik hem, met een aankondiging van zijn verkiezingsoverwinning en een korte introductie van mijn kwaal. ‘Lijkt me een uitstekend plan’, schreef hij diezelfde dag nog terug, en drie dagen later kreeg ik van geluidsman Menno ‘een oortje’, om zo, vanaf een veilige afstand, alles te kunnen volgen wat Joris – ik mocht Joris zeggen - die dag zei. Tussendoor kwam hij bij me staan om over de kunst van het luisteren te praten. Als hij even niet door een voorbijganger werd aangeklampt tenminste, want net als tax-free shoppen en iets te lange taxiën op de Polderbaan, hóórt Joris Linssen inmiddels bij Schiphol. Hello, goodbye, zo leerde ik die ochtend, werkt ongeveer zo: redactrice Wendy spreekt eerst zo veel mogelijk mensen aan om een voorselectie te verrichten en als ze dan een mooi verhaal gevonden heeft (‘Een keurige oude meneer met alleen een roos, da’s altijd raak’), wordt het kanon Joris in stelling wordt gebracht. Joris ondertussen, is door Wendy dan al bijgepraat wáár het verhaal zit. In de tweede ontmoeting van die ochtend was dat: grote, roodharige, lesbische vrouw wacht op de aankomst van haar grote, donkerharige, Braziliaanse geliefde, wier zus toevalligerwijze met de broer van de grote, roodharige, lesbische vrouw is getrouwd.

‘Voor een goed gesprek moet je levellen, op dezelfde hoogte zien te komen dus’ heeft Joris me dan al verteld. Dat valt bij deze hooggehakte dames nog niet mee – en zeker niet voor Joris, die nogal klein is - maar levellen doe je met je taalgebruik uiteraard. ‘Tegen een hoogleraar praat je anders dan tegen de patatboer, maar door je taalgebruik en je gespreksstof aan te passen laat je subtiel merken dat je op hetzelfde level zit.’

Nu klinkt levellen als luisterles een beetje als een open deur misschien, maar het is juist dit onderdeel dat Joris zo fabelachtig in de vingers heeft. Op welke familie hij ook afstapt, binnen hij een paar minuten is hij één van hen.

‘Wat gaat ze het eerst doen als ze thuis komt?’, vroeg hij aan een moeder die op haar dochter wacht.

Moeder: ‘Dan gaat ze naar Jelle, en dan thee drinken bij Bep en dan langs oma Kampen’.

Joris: ‘Wie is Jelle?’

Moeder: ‘Haar beste vriend.’

Vader, tegelijk: ‘Haar paard.’

 

Dat Joris vrij klein is, zoals ik net al zei, ziet hij zelf als zijn geheime wapen: ‘Ik hang echt aan iemands lippen, bijna letterlijk zelfs.’ Het is waar: met zijn korte benen, zijn kuifje en zijn vriendelijke, wijd uiteenstaande ogen straalt hij een en al plezierige belangstelling uit. Zelfs zijn schoenpunten wijzen opgewekt omhoog. Zijn kleurige overhemd en zijn merkwaardige jasje (met de witte stiksels er nog aan) maken hem bovendien lastig te duiden. En omdat hij op voorhand zo bij niemand hoort, hoort hij dus des te gemakkelijker bij iedereen.

 

Máár… is er meer. Nadenken over vragen, vertelt Joris bijvoorbeeld, dat doet hij nooit, en hij kan het ook iedereen afraden. ‘Als je nadenkt, lúister je niet meer. Gewoon wachten is het beste, dan komt die vraag vanzelf. Voor stiltes hoef je ook niet bang te zijn, want stiltes zijn juist goed. “Ik vind jou het best als je stil bent”, zei Rik Felderhof laatst tegen me. Als je stil bent, vult de ander die stilte vaak vanzelf in.’

Joris, zo valt me later op, stelt ook nooit ingewikkelde vragen. Hij begint het gesprek liefst met ‘Hallo, ik ben Joris. Op wie sta jij te wachten?’ en zegt daarna vooral dingen als ‘Hoe gaat dat dan? en ‘Maar hoe voelt dat dan?’ De rest van zijn werk bestaat uit bevestigen. ‘Energie geven’, noemt hij dat zelf. Dan knikt hij belangstellend en gebruikt hij zijn favoriete stopzin: ‘…(Maar) dat is heel bijzonder’.

Het klinkt zo misschien als een trucje, maar de gesprekken  zijn wel écht, en zo aandachtig luisteren is een vermoeiende zaak. ‘Als ze in een ander land een eigen versie van Hello, goodbye willen maken, sturen ze de presentator soms eerst een middag bij ons langs. “Waar is het script? Waar zijn de acteurs?”, vraagt zo’n presentatrice dan verbaasd.’

Hij lachte en keek naar Wendy, die nog even achter de laatste prater aanliep om toestemming voor uitzending te regelen. ‘Wat was hij direct!’, galmde die man door de hal. ‘Instant-vragen! Hij moet een schorpioen zijn, of in elk geval een waterteken. Vis of waterman misschien?’

‘Waterman’, riep Joris hem na.

 

Dat is ook verklaring natuurlijk, maar later, in de boekwinkel, vind ik een betere: Joris Linssen doet alles uit het boekje, maar dan zonder dat hij het boekje kent. Dat boekje, hét boek over luisteren en efficiënt communiceren, heet People skills en is al 1979 geschreven door Robert Bolton, een Amerikaanse communicatieadviseur. Luisteren is volgens een Bolton een zaak van actief passief blijven. ‘Oordelen’ en ‘oplossingen aandragen’ maken daar geen onderdeel van uit. De goede luisteraar is aldus vooral één en al aandacht, en wat volgt is een opsomming van alles dat Joris al doet: aanmoedigen (‘Hoe zit dat dan?’), reflecteren (‘Dat ken ik, ja…’), parafraseren (‘Dus jij zegt…’),  begrip tonen (‘Wat een dag, joh…’) en refereren aan de lichaamstaal van de spreker (‘Je straalt helemaal als je dat zegt’). En: vergeet niet dat je luisteren met je hele lichaam doet (altijd oogcontact houden en heel veel knikken dus).

Het woord ‘listen’ (luisteren), schrijft Bolton ten overvloede,  is afgeleid van de Angelsaksische woorden ‘hlystan’, luisteren, en ‘hlosnian’, verwachtingsvol afwachten. (Mijn gedachten gaan hier terug naar mijn lagere schooljuf die, als ze boos werd, altijd ‘lui-ste-ren!’ zei. Probeer dat eens met ‘hly-stan, hlos-ni-an!’, en dan zonder te slissen. Petje af voor de Angelsaksische schooljuffen uit de riddertijd).

 

Goed, dat waren ze, de gouden regels. Ik besloot ze allemaal eens te gebruiken, en inderdaad, ze werkten. Gloeiende god, wat werkten ze. Binnen de kortste keren voelde ik me als een sceptische doe-het-zelver die de nieuwe secondenlijm eerst maar eens tussen zijn duim en zijn wijsvinger heeft gesmeerd. Gesprekken die voorheen maar twee minuten duurden, namen nu – gevoed door mijn voortdurende samenvattingen - wel een half uur in beslag. Lange gesprekken, écht lange gesprekken, bevatten wel meer krenten, maar ze bevatten vooral godsgruwelijk meer pap. Ziek van zoveel informatie kon ik maar tot één conclusie komen: ik miste inderdaad het menselijke interesse-gen.

 

Hoe komt dat dan, begon ik me af te vragen, en ik besloot een schuldige te zoeken, maar dan wel eentje die zich niet kon verdedigen, want ik had geen zin in nóg een eindeloos gesprek. Die schuldige was zo gevonden: de tv. Ik geloof oprecht dat tv-kijken me op twee manieren grandioos verpest heeft. Ten eerste kan ik geen sentimentele dingen meer horen of zeggen (‘Maar ik hou wel van je!’) zonder me een tweederangs soapacteur te voelen, en ten tweede voer ik al mijn gesprekken, net als in de talkshows, het liefst snel, geestig en schadevrij. Alsof de rest van de wereld af en toe de eer heeft om aan mijn tafel aan te schuiven - als ons gesprek de kijkers maar geen moment verveelt.

 

De tv. Ik vond het een topconclusie. Toen ik gisteren met een vriendin in een lunchcafé zat, wilde ik hem net aan haar voorleggen, toen zij – helaas, dacht ik nog - over iets heel anders begon.

‘Ik weet nog’, zei ze, ‘wat het eerste was dat je tegen me zei.’

Au, dit wordt gênant, dacht ik. Dat weet ze helemaal niet, namelijk. Zij denkt natuurlijk dat we elkaar jaren geleden voor het eerst spraken op een feestje - dat zeg ik immers ook altijd - maar eigenlijk heb ik maanden daarvoor al één keer iets tegen haar gezegd.

Hee… Ik zag je op tv’ wist ik er toen uit te persen. Zij lachte, zei ‘Oh!’ en liep door.

Daar dacht ik dus aan, in dat lunchcafé, maar ik zei niks en roerde in m'n thee.

'Jij zei’, vervolgde zij. ‘"Hee, jij was op tv".'

Ik schrok zoals ik zelden schrik, en ik schrik toch regelmatig. Ze wist het nog dus.

'Jaja, dat zei ik toen,’ antwoordde ik een beetje ongemakkelijk. 'Dat was echt gênant.'

'Dat was niet gênant,’ zei ze streng terug. 'Jij vindt alles altijd maar gênant.'

Dat is het, dacht ik. Ik vind alles altijd maar gênant. Wat was hier eigenlijk gênant aan? Ik hadHee, jij was op tv!’ gezegd en zij wist het nog. Moest één van ons zich nou kapot schamen?

Misschien moest ik gewoon eens gaan praten, zonder voortdurend te bedenken hoe gênant iets wel niet was. In het gesprek dat volgde sloeg ik niet meer af waar ik af wilde slaan en vertelde zij me meer dan ze ooit had verteld.

We zeiden nooit zoveel namelijk. We maakten vooral grapjes, en ik hield mezelf voor dat je maar een paar kruimels nodig hebt om iets te kunnen zeggen over de samenstelling van het brood.

Nu ze zoveel openhartiger was, begreep ik pas wat ik gemist had. Seks is toegang - je mag op plaatsen komen die voor anderen verboden zijn – maar een goed gesprek is dat ook.